Holthuishof
Door Herman Lubberding (veldwerkleider)

Inleiding

In juli 2008 had de firma Nikkels op een voormalig sportterrein een 60 cm diepe bouwput gegraven ten behoeve van het appartementencomplex Holthuishof.
Frits ten Bosch ontdekte in het zuidwestelijke deel van deze bouwput een concentratie grondsporen die duidden op vroegere bewoning en nadat hij sporen had geschaafd, gecoupeerd en gefotografeerd, stond vast dat een aantal van deze sporen een rij paalgaten uit de 11de of 12de eeuw vormde.
Hij stelde de RACM, de fa. Nikkels en de gemeente Voorst op de hoogte van zijn ontdekking.
Dit resulteerde in een noodopgraving, uitgevoerd door hem en leden van onze AWN afdeling.
Het is niet uit te sluiten dat veel sporen verloren zijn gegaan, doordat de bouwput 20 cm in het leesbare vlak was ontgraven.

  • Het vooronderzoek

Voorafgaand aan de ontgraving van de bouwput had ARC bv op het bouwterrein proefboringen verricht. Deze gaven onvoldoende aanleiding voor een vervolgonderzoek, Derhalve verleende de gemeente Voorst vergunning voor de bouw van het appartementencomplex zonder dat een opgraving vooraf plaatsvond.

  • De noodopgraving

Na toestemming van de RACM en de projectontwikkelaar is het deel van de bouwput waar de grondsporen werden aangetroffen geschaafd en ingemeten, en zijn de grondsporen gefotografeerd, gecoupeerd en de mobiele vondsten verzameld.
Het onderzoek is in te delen in drie onderdelen, namelijk:
-           de paalsporen
-           de hutkom
-           de waterputten.

De paalsporen
Een negental paalsporen op rij, op onderling gelijke afstand en bijna alle even diep ingegraven, doet vermoeden dat hier sprake is van de noordwand van een zgn. Gasselte B boerderij (12de eeuw).
Deze periode komt ook overeen met het schervenmateriaal dat in de grondsporen is aangetroffen.
De zuidelijke tegenhanger van de wand is in deze bouwput niet aangetroffen en daarom is met goedvinden van de projectontwikkelaar de bouwput plaatselijk vier meter verbreed om de mogelijke zuidwand te traceren. De sporen in deze sleuf leveren echter te weinig aanknopingspunten op om er 100% zeker van te zijn dat er inderdaad sprake is van een boerderijplattegrond uit de 12de eeuw.
De meningen hierover zijn verdeeld. Bestudering van onze verzamelde gegevens door professionele archeologen kan mogelijk meer duidelijkheid verschaffen.
.
holth1

 

 

 

 

Coupe van paalspoor 5.

 

 

 

 

De hutkom
Ten westen van de palenrij ligt een fraai bewaard gebleven plattegrond van een hutkom ( 3.5 x 2.2 m). Paal- en wandsporen zijn goed herkenbaar. In de ingraving/opvulling van deze hutkom is meer dan vier kilo aardewerkscherven uit de 11de en 12de eeuw verzameld. Houtskool en grijs (verbrand) zand tonen aan dat de hut destijds door brand is verwoest.

            
holth2        

                                                                       Geschaafd vlak en coupe van de hutkom.

 

De waterputten
Iets ten noorden van de palenrij is een aantal diepe sporen gecoupeerd die leidden naar een waterput waarvan de bovenkant ongeveer 1.20 m onder het opgravingsvlak lag. Met behulp van een mobiele kraan, beschikbaar gesteld door de gemeente Voorst, is het spoor verder uitgegraven en is de put geborgen. De waterput bestond uit delen van een uitgeholde boomstam (eiken), waarvan het gedeelte dat onder de grondwaterspiegel zat bewaard is gebleven. Dit restant was twee meter hoog, had een ovale vorm ( 85 x 65 cm binnenwerks) en had een wanddikte van bijna elf centimeter.

 

holth3

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Annemarie Brinkhorst bij het afwerken van sporen bij de waterputten.

 

holth4            
                                                           Janneke Zuyderwyk aan het werk bij de zuidelijke put.

Een monster is dendrochronologisch onderzocht door BAAC en bekostigd door ARC.
De kapdatum van de eik was najaar 1064 of winter 1064/1065.
Pollenonderzoek door AWN-lid Ben Teulen toonde aan dat in de naaste omgeving veel riet, grassen en brandnetels voorkwamen.
De put is in zijn geheel gelicht en schoongemaakt. Op delen waar de schors nog aanwezig was waren de afdrukken van (tenen?)banden zichtbaar waarmee de delen aan elkaar waren gesnoerd. Ook enkele geboorde gaten om de delen aan elkaar te klemmen waren nog aanwezig.
De zware boomstam was aan de onderzijde van buiten naar binnen over een lengte van 28 cm aangepunt.

 

holth5holth6   Detail van bandsporen op een van de putdelen

 

 

 

 

 

Alleen de verkleuring van wat eens de
zuidelijke put was is nog herkenbaar in
het hoger gelegen deel van het profiel.

 

Bij het uitgraven van deze waterput kwam iets noordelijker nog een tweede exemplaar tevoorschijn, die minder diep was ingegraven. De onderkant ervan reikte tot 2.10 m onder het opgravingsvlak, tegen de eerste op 3.20 m.
Van deze put was geen schors bewaard gebleven en het buitenste spinthout was iets beschadigd. De vermoedelijke kapdatum ligt tussen 1095 en 1103.
De geborgen putdelen hadden een lengte variërend van 1.60 tot 1.45 m, de binnenomtrek was 1.20 m met een wanddikte van 13 cm. In tegenstelling tot zijn iets oudere noordelijke tegenhanger was deze put zowel aan de binnen- als aan de buitenzijde bekapt tot 90 cm vanaf de onderkant.
De putdelen van de eik (Ø 1.46 m !) zijn opgeslagen op de gemeentewerf in Twello en worden misschien nog eens ergens tentoongesteld.
Geïnteresseerden kunnen het volledig verslag met tekeningen en foto’s, na afspraak, inzien op ons depot in Deventer.

 

 

holth7

Het schoonmaken van putdelen.