De Archeologische werkgroep Apeldoorn (AWA)
bestaat uit leden van onze afdeling die zich in Apeldoorn en omgeving actief bezighouden met archeologie.
Adres: Roggestraat 44, 7311 CD Apeldoorn  
(ACEC -gebouw naast museum CODA).
Als je langskomt, bel dan even met Harry Schotman 055-3670173 of Chris Nieuwenhuize 055-5416145.
De AWA heeft een eigen website. Belangstelling? klik hier


            ACTIVITEITEN  VAN  DE  WERKGROEP  APELDOORN (AWA)
            Door Chris Nieuwenhuize (veldwerkleider)

Spelderholt

In 2009 inventariseerde Ben Teule voor het museum CODA het archief van de Apeldoornse amateur archeoloog Moerman. Moerman was actief in de periode tussen 1920 en 1965 rond Apeldoorn.
Zijn uitgebreide collectie vondsten is via het museum Moerman in CODA terecht gekomen. Het archief bestaat uit een enorme collectie krantenknipsels en brieven, maar ook uit aantekeningen - veelal op kladpapier - van waarnemingen en vondsten.
In het archief zit ook een aantal kaarten van het Spelderholt, het bosgebied tussen Beekbergen en Hoenderloo. Op de kaart zijn de vondsten aangegeven die Moerman in de loop van de jaren verzamelde en de onderzoeken die hij daar heeft gedaan. Een deel daarvan gaat ook over een onderzoek dat Van Giffen naar aanleiding van de vondsten in 1937 deed. Voor de AWA was een en ander aanleiding om te situatie nu, 70 jaar later, eens opnieuw te gaan bekijken.

 

Proefsleuven  van Van Giffen

adoorn1
Het onderzoek door Van Giffen was op touw gezet door het Bestuur van de Stichting tot Bescherming van Praehistorische Cultuurmonumenten in Gelderland.
Het jaarverslag van de stichting vermeld in 1938: “De bespreking betreffende de Frankische woon- en begraafplaats op het Spelderholt leidde tot een proefopgraving in Augustus, nadat het terrein met Dr. A. E. van Giffen bezocht was. De proefopgraving werd verricht door de jongelieden van het werkkamp “De Kuil” te Beekbergen, de wetenschappelijke leiding berustte bij het Biologisch-Archaeologisch Instituut der Rijksuniversiteit te Groningen, dat den heer J. Willems Jr. uit Tilburg afvaardigde. Het lid der Werkcommissie de heer J.D. Moerman was bij de opgraving aanwezig.

 

Het verslag van de opgraving liet lang op zich wachten. In het jaarverslag van 1943 werd het uiteindelijk gepubliceerd, maar bleek frustrerend kort.

 

Het verslag begint: “Naar aanleiding van de proefgraving op 25-28 Aug. 1937 op het landgoed Spelderholt te Beekbergen, die na een voorexcursusie op 11 Aug. in overleg met Uwen Voorzitter, Secretaris en medebestuurslid, de heeren Van Lonkhuyzen, Oosting en Moerman, verricht werd, heb ik de eer u het onderstaande mede te deelen.
Bijgestaan door den heer J.W. Wolters en den heer Moerman voornoemd, werd het bewuste proefonderzoek volgens mijn aanwijzingen gedaan onder leiding van den heer Joan Willems, Phil. Cand. te Tilburg die mij daartoe vrijwillig assisteerde. Hem werden 50 jeugdige werkloozen ter beschikking gesteld. De proefgraving bestond in het doen maken van drie sleuven van 2 m breed in de wegen W., O. en Zdl van het perceel d2, Blok vormende het noordelijke gedeelte van het zogenaamde Schenkelsblok. In deze wegen waren nl. vondsten van verschillenden aard gedaan, gedeeltelijk berustend bij den heer Rozenboom, Opzichter van de Ned. Heide Mij. te Beekbergen.


Over de resultaten schrijft hij vervolgens:
“….. daaruit kwamen onderscheidene urnen, enkele skeletgraven en andere vondsten te voorschijn. De eerste zijn over het geheel op de schijf gevormd laat-Merovingische en Karolingische potten of fragmenten daarvan; slechts een enkele kogelvormige urn van inheemsch vaatwerk (no. 12) vormde daarop een uitzondering. Eenige metaal en glasvondsten wijzen op dezelfde cultuurperioden als die van het fabrieksmatige aardewerk.
Wijzen zoo de vondsten op twee beschavingen, ook de grondperforatie en bodemstructures, voor zoover de bijzettingen betreffend, pleitten in die richting. Zelfs kwam de helft van een kringgreppel te voorschijn, die hoewel in de Frankische grafvelden nog een enkele maal als een soort atavistisch verschijnsel optredend, typisch is voor de voor-Romeinsche urnenvelden. De latere vondsten bestonden in het algemeen uit brandgaten met of zonder urnen, ingelaten in een laag cultuurgrond.

Het verslag wordt afgesloten met enkele regels conclusies (vroegmiddeleeuwse begraafpaats, met daaronder een prehistorische) en een vondstenlijst met 27 vondsten.
Het verslag besloeg per saldo niet meer dan twee pagina’s en omvatte zelfs geen vlaktekening.
Die heeft Moerman toen zelf maar gemaakt en die blijkt dan ook in het archief aanwezig,

Op 25 mei bezocht de AWA de locatie. Tot onze verbazing werden de proefsleuven intact teruggevonden. Blijkbaar waren de “50 jeugdige werkloozen” niet meer te porren de bijna 400 meter proefsleuf ook nog eens dicht te gooien.
Het destijds nog gedeeltelijk open liggende terrein is intussen begroeid met dennen die ook her en der in de sleuven groeien. De sleuven zijn nog goed herkenbaar, zij het wel wat ingezakt.
Archeologische waarnemingen werden verder niet gedaan.

 

Inheems-Romeinse nederzetting

In een ander deel in het Spelderholt, een kilometer noordelijker, gaf Moerman veel aardewerk vondsten aan. Dat was aanleiding om daar poolshoogte te nemen. Ook dit terrein blijkt intussen begroeid met vooral naaldbomen. Wel zijn er bij een storm – waarschijnlijk in 1990 - nogal wat bomen gesneuveld. In de kluit van zo’n boomval werd een aantal scherven gevonden. Nader onderzoek leverde in totaal 119 scherven op uit vijf boomvallen.

adoorn2adoorn3
(1)                                                                                                                                                                                         (2)
adoorn4

Ivo Hermsen van de gemeentelijke archeologische dienst in Deventer dateerde de vondsten. Het gaat om een ensemble daterend tussen het eind van de 2e tot halverwege de 4e eeuw. Opvallend zijn de randen met vingerindrukken (1), gepolijst aardewerk (2) en een tiental witte, geïmporteerde Romeinse scherven van gedraaid aardewerk (3).
Het aardewerk is ouder dan de voornamelijk vroeg middeleeuwse vondsten van het grafveld van Van Giffen, maar past weer wel bij zijn conclusie dat dit was aangelegd in oudere cultuurgrond.

(3)


Assel

Assel is een van de oudst bekende ontginningen in Apeldoorn. De eerste vermelding dateert al van rond 800. Op de oudste beschikbare kaarten (Geelkercken 1630, Willem Leenen 1748, Kadastrale kaart 1832) is steeds een vrijwel identieke perceelindeling te zien, met de hoeve in het midden.
De plek was een belangrijk pleisterpunt in de oost-west route over de Veluwe. Had men vanuit het westen eenmaal dwars door de Veluwe Assel bereikt, dan kon men vandaar weer over de normale weg via Apeldoorn naar Deventer en vervolgens verder naar het oosten. In de heide ten oosten van Assel zijn nog duidelijk de karrensporen van de Hessenwegen te zien die feitelijk de voorloper van de A1 vormen.
Assel1630

 

 

 

 

Kaart van Geelkercken 1630

 

 

 

 

 

adoorn5De boerderij zelf is volgens de huidige bewoners eind 19e eeuw afgebrand en herbouwd rond de oude binten. Momenteel wordt ze bewoond door de familie Ten Bosch.
Na contact met bewoners van de hoeve en hun positieve en enthousiaste reactie is op 6 maart 2010 een deel van de akker rond de hoeve Assel afgezocht. Het totale akkerareaal is bijna 11 ha. Krap de helft daarvan kon worden onderzocht.
Vooral rond de hoeve werd aardewerk verzameld. Vanzelfsprekend bestond de vangst voor een groot gedeelte uit industrieel aardewerk en ander tamelijk modern spul, waaronder een koperen zakhorloge. Daarnaast werd ook ouder aardewerk gevonden zoals laat middeleeuws steengoed, maar ook Pingsdorf, Paffrath, een grote kogelpotrand en een paar prehistorische scherven.
In de uiterste zuidwesthoek van de akker werd een verploegde slakkenhoop gevonden. Over een stuk van 20 bij 20 m lagen veel slak en verhitte stukken klappersteen. De klappersteen werd in de vroege middeleeuwen in de omgeving gewonnen voor ijzerproductie. Als gebruikelijk voorbewerking werden de klapperstenen in kleine stukjes geslagen en “geroosterd”. Vervolgens werd de slak uit de klappersteen gesmolten in oventjes waarna het ijzer over bleef.
De betreffende slakkenhoop bleek achteraf gezien ook al bekend bij amateurarcheoloog Moerman. In een artikel in ‘Gelre’ uit 1968/69 vermeldt hij dat de betreffende slakkenhoop in 1941 is ‘verploegd’ en hoe hij deze in 1948 heeft onderzocht. Bij het onderzoek verzamelde hij drie emmers met ovenwand, gegloeide klappersteen en kogelpot- en Pingsdorf aardewerk.


Een geheime gang naar het Loo?

adoorn7De mogelijkheid van geheime gangen naar het Loo bleef ons achtervolgen. Onderzocht de AWA in 2009 de achtertuin van de Prinsesjeshof, deze keer werd de daarachter gelegen smederij bezocht.
De woning van de smederij is waarschijnlijk gebouwd in de 18e eeuw voor het Loo en ligt pal naast het paleis aan de oostzijde.
De aanwijzing voor een geheime gang bestond deze keer uit een merkwaardig stukje metselwerk in de kelder, wat bij nadere beschouwing niet de ingang van de veronderstelde gang was, maar een vroegere uitgang naar buiten.
Na deze conclusie kregen we van de bewoonster de kans het gebouw en de naastgelegen smederij uitgebreid te bestuderen,

 

adoorn7Oorspronkelijk waren in het huidige hoofdgebouw een drietal woningen ondergebracht. Het metselwerk in de gevels laat enkele uitbreidingen zien, maar vooral de houten kap is voor Apeldoorn bijzonder. De smederij is minder oud (vermoedelijk eind 19e eeuw), maar kan zo weer in gebruik worden genomen.
Intussen hebben we overigens weer al de volgende melding van ‘de geheime gang bij het Loo’ en ook die is weer veelbelovend…..

Zouden ze echt bij het paleis uitkomen?

 

 

Open Monumentendag

Op de Open Monumentendag had de AWA samen met de gemeentelijke archeologische dienst een stand bij restaurant De Brugwachter. Door de strategische ligging en het mooie weer stapten veel mensen even van de fiets om een praatje te maken of de tentoongestelde vondsten en foto’s te bekijken.

adoorn6